Biodiversiteit 0-meting akkerbouw Veenkoloniën

Biodiversiteit 0-meting akkerbouw Veenkoloniën

Biodiversiteit 0-meting akkerbouw Veenkoloniën

Het CLM heeft een methodiek ontwikkeld om de mate van biodiversiteit te kunnen bepalen. Deze methodiek is regio en landbouwsector afhankelijk, momenteel is die ontwikkeld voor akkerbouwbedrijven in de Veenkoloniën. De methodiek bestaat uit een telprotocol, rekenmodel en soortenlijst. Randvoorwaarden zijn dat deze, in tegenstelling tot alle soortgroepspecifieke NEM-methoden wat minder tijd kost, maximaal 2 velddagen per jaar, per bedrijf. De soorten zijn relatief eenvoudig te herkennen, zodat ook een persoon met geringe soortenkennis, na training, het kan toepassen.

Deze methodiek is (in de toekomst) generiek en bruikbaar voor alle landbouwsectoren in Nederland en meet bovengrondse (5 soortgroepen) en ondergrondse biodiversiteit. De indicatorsoorten zijn gebieds- en landbouw specifiek. Voor de bovengrondse biodiversiteit zijn soorten geselecteerd die je verwacht in het gebied/regio. In het rekenmodel wordt rekening gehouden met de zeldzaamheid van een soort; hoe zeldzamer hoe zwaarder de soort meetelt. De mate van ondergrondse biodiversiteit wordt met veldwaarnemingen en een biolabtest bepaalt. Een rekenmodel kan uiteindelijk per bedrijf, per soortgroep een waarde aangeven. Het tellen van de soorten gebeurt volgens speciaal ontwikkelde telprotocollen, die waar mogelijk zijn gebaseerd op bestaande telprotocollen. De methodiek is ontwikkeld met inbreng van soortenexperts van SOVON, RAVON, FLORON, EIS, Kenniscentrum Akkervogels, RUG en Zoogdierbescherming. Er wordt bijvoorbeeld in verschillende habitats geteld (erf, akker, akkerrand, slootkant). Er wordt geteld op plekken waar we hoge mate van biodiversiteit verwachten, mits de habitats aanwezig zijn op het bedrijf. De methode is ontwikkeld in 2020, wordt getest op een aantal akkerbouwbedrijven in de Veenkoloniën en geoptimaliseerd in 2021.